
Supergeleiding
8 Juni 2026 • Ruud Abma •BOEKBESPREKING
‘Alles gaat heel snel. Zonder weerstand. Door mijn lichaam lopen er een soort stromingen en die gaan snel, een soort achtbaanachtig gevoel. (…) Ik heb het gevoel dat mijn intuïtie verhoogd is. (…) Ik leg betekenisvolle verbanden die voor anderen betekenisloos zijn. Ik leef in een soort dubbelwereld. De gewone wereld aan één kant. En aan de andere kant een andere wereld, waarin alles wat ik zie en tegenkom een magische of symbolische betekenis heeft.’ (p. 43-44)
'Supergeleiding’ noemt Grietje Keller in haar boek Gekkenkennis de bewustzijnstoestand waarin ze zo’n kwarteeuw geleden terechtkwam. Die bewustzijnstoestand was niet in alle opzichten onaangenaam, maar leidde bij haar en haar omgeving wel tot verwarring en zelfs ontwrichting. Wat was er met haar aan de hand?
Etiketteerzucht
Met die vraag meldde ze zich, toen haar leven ‘een enorme zooi’ was geworden, ten einde raad bij de Amsterdamse crisisdienst, waar men haar van een diagnose voorzag. Diagnose X – Keller kiest ervoor om die diagnose niet bij naam te noemen – geeft haar toegang tot behandeling in de ggz. Ook kan ze zich hiermee aan haar omgeving presenteren. Maar ze voelt zich er ook ongemakkelijk bij – heeft ze echt een hersenziekte? – en met de behandeling blijkt ze per saldo niet echt geholpen te worden: ‘voor mijn leven van alledag levert het mij meer ellende dan goeds op’.
Ze laat daarom de diagnose voor wat-ie is – een medisch etiket – en besluit haar eigen weg te zoeken, niet alleen in praktische zin, maar ook als academica. Zelf geschoold in Vrouwenstudies en oral history, exploreert ze het relatief nieuwe terrein van ‘Mad Studies’, de academische tak van de Gekkenbeweging. Binnen Mad Studies gebruikt men het buitenstaandersperspectief van Gekken (bewust met een hoofdletter geschreven) om de heersende normen, perspectieven en praktijken in de ggz te bevragen.
Zo’n perspectief is bijvoorbeeld de biomedische traditie waarin ‘psychisch anders zijn’ gezien wordt als een ziekte die kleeft aan de persoon in kwestie en die vraagt om een individuele psychiatrische of psychotherapeutische behandeling. Het psychiatrisch etiket dat daarbij op de persoon wordt geplakt zet een reeks sociale processen in gang, waarbij sprake kan zijn van hulpverlening, maar onvermijdelijk ook van stigmatisering. De norm is immers dat mensen actief, energiek en productief horen te zijn, en dat hun gedrag voorspelbaar moet zijn. Op iemand die psychisch ziek of verward is kun je niet rekenen, zo is de gedachte. In een apart hoofdstuk belicht Keller in dit verband de rol van het moderne westerse arbeidsethos en de daarmee samenhangende productiviteitsnorm.
Stigmatisering
Uit haar relaas blijkt dat Keller vooral last heeft gehad van stigmatisering op basis van haar diagnose, maar ze wil die term liever niet gebruiken. Stigma staat gelijk aan schandvlek, waarbij de vinger wijst naar de gestigmatiseerde, niet naar degenen die het etiket opplakken. En er zit in de anti-stigmabeweging een impliciete acceptatie van het psychiatrische denken (‘kom met je diagnose uit de kast’). Keller komt met een alternatief: mentalisme, de systematische discriminatie van mensen die als psychisch ziek worden beschouwd. Ik vind het een ongelukkige, want onduidelijke term. Bovendien bekrachtigt het gebruik van ‘mentalisme’ het onderscheid tussen psychisch en lichamelijk, dat Keller op meerdere plaatsen in haar boek juist aanvecht. (Zie ook mijn eerdere opiniestuk in Deviant over het gebruik van het anglicisme ‘mentaal’).
Hoe dan ook: wie het etiket weigert, is niet van zijn of haar problemen af en kan door collega’s en andere medemensen toch gezien en behandeld worden als ziek, zwak en verward. Wat te doen? Het antwoord van Keller lijkt te zijn: actief zijn op je eigen voorwaarden en naar eigen inzicht. Zij heeft dat zelf gedaan door het opzetten van leesgroepen binnen de Stichting Perceval, waarin boeken en artikelen uit de sfeer van Mad Studies gezamenlijk besproken worden.
Hoe collectief is Gekte?
Een gedeeld uitgangspunt binnen Mad Studies is dat Gekte niet alleen het individuele eigen leven ontwricht, maar ook een sociale en politieke dimensie kent. Die zit deels in het ‘medisch regime’, deels in allerlei vormen van discriminatie en uitsluiting in het dagelijks leven. Je kunt daar individueel tegen protesteren, maar het is in wezen een structureel probleem en dus is collectieve actie op zijn plaats, zeg: identiteitspolitiek. Maar is er bij Gekken wel sprake van een collectieve identiteit?
Keller onderzoekt het en concludeert dat binnen de beweging zelf onderscheid wordt gemaakt tussen ‘echte’ gekken en mensen met ‘lichtere vormen’ van gekte. De laatstgenoemden hebben meer mogelijkheden om namens de hele beweging op te treden, dus ook voor de ‘zwaardere’ gevallen, maar deugt dat wel, zo vraagt ze zich af. Keller steekt hier de hand in eigen boezem: ‘Ik ben twee keer een maand of wat Gek geweest, de rest van de tijd draai ik “normaal” mee. Het contact dat ik heb gehad met de psychiatrie was zowel positief als diep kwetsend, maar ik heb zelf niet te maken gehad met dwang, isoleercel, opnames (…).’ (p. 126)
Het nut van een diagnose
Uiteindelijk is de vraag hoe iemand in psychische nood, met een zich voortdurend of met tussenpozen ontwrichtend leven, het roer weer in handen kan krijgen en in hoeverre een diagnose hierbij van nut kan zijn. Ik moest hierbij denken aan mijn eigen broer. Sinds hij, midden jaren zeventig, uit huis ging om in Amsterdam te gaan studeren, werd hij bezocht door depressies. Hij zocht de remedie in zelfmedicatie via alcohol, maar dat vergrootte op den duur de problemen slechts. Rond zijn dertigste kreeg hij de diagnose ‘manische depressie’ en werd hem lithiumcarbonaat voorgeschreven. Daar had hij baat bij, want zijn depressies verdwenen. De hypomanie duurde echter voort. Om daarvan verlost te worden moest hij van zijn alcoholverslaving af zien te komen. Dat vergde professionele hulp en een groot doorzettingsvermogen.
Toen hij in 1998 vier jaar drank- en crisisvrij was schreef hij voor Deviant het artikel ‘Manisch-depressief en drankverslaafd. De ontdekking van de alcomanie’. Hij hekelde daarin de splitsing tussen psychiatrie en verslavingszorg. Wat als hij weer in een crisis zou raken? Waar moest hij dan aankloppen met zijn dubbeldiagnose? Gelukkig gebeurde er niets dat hij niet zelf kon oplossen, al was de steun van lotgenoten en andere naasten daarbij onontbeerlijk. Waar het mij hier om gaat is dat de dubbeldiagnose hem handvatten bood om zijn leven weer op de rails te krijgen.
Er zijn dus meerdere manieren om met een ontwricht leven om te gaan. Het siert Grietje Keller dat ze de onderwerpen in haar boek met een open, onderzoekende houding te lijf is gegaan. En dat ‘te lijf gaan’ demonstreert ze ook waar het gaat om de verhevigde gevoelens van verliefdheid en lust die ze zelf ervaart als ze in een staat van supergeleiding verkeert – inclusief de keerzijde daarvan: verhevigde (gevoelens van) kwetsbaarheid. Het hoofdstuk dat ze aan deze gevoelige materie wijdt toont bij uitstek de kwaliteit van dit boek: ondogmatisch zoeken naar zinnige, goed onderbouwde antwoorden op vragen die theoretisch lijken maar uiteindelijk gericht zijn op het vinden van handelingsalternatieven.
Grietje Keller, Gekkenkennis. Inleiding in Mad Studies. Amsterdam: Uitgeverij Tobi Vroegh, in samenwerking met Stichting Perceval, 2026, 208 pp. E 22,50