7Het kwam op en het ging 

16 juni 2019 • Sjaan Flikweert • VERWARDE PERSONEN

Sjaan Flikweert, performance artist, danser & theatermaker, bracht tijdens de discussieavond over Verwarde Personen in De Balie in Amsterdam (zie ook bijdrage van 8 juni) onderstaande column over het voetlicht.

Het was rond de leeftijd waarop ik nog niet wist dat je spinazie goed moet wassen. Ik wist hoe het fornuis aan moest, pasta in ruim water.

Ik deed mijn best, wij allemaal.

We aten spinazie met zand.

Ik had geleerd dat ik de folie van een bapao-broodje eromheen moet laten zitten als ik het in de magnetron doe.

Ik wist niets over zand tussen verse spinazie, ze was er nog niet aan toe gekomen mij zoiets te leren.

Die middag belde ik mijn vader om hem te waarschuwen voor als hij thuis kwam. Achteraf bedankte hij mij.

Ik lapte de ramen. We konden er weer doorheen kijken, het glas onder de strepen. Hij leerde mij de truc met de kranten.

Een week later tilde ik mijn kussen op en er schoot een kakkerlak weg.

Ze sleepte de vuilniszakken 's ochtends naar binnen, wij ‘s middags weer naar buiten, 's avonds was ze boos.

Een paar dagen later kwam ik haar tegen in de metro met een winkelwagentje vol spullen.

Een paar dagen later danste ze schreeuwend door de kamer.

Een paar dagen later zei ze dat mijn vader haar mishandelde.

Een paar dagen later kleide ze honderden keien en verkocht ze aan een hovenier.

Een paar dagen later overal kraaltjes.

Een paar dagen later had ze kanker in haar hoofd.

Een paar dagen later zou de Gamma een nieuwe vloer komen leggen.

Een paar dagen later vond ik lege flessen.

De geur van make-up, vuilnis en musk.

Ik zag alles in rap tempo opkomen en vertrekken, iets wat je niet moet vertrouwen.

Ik belde het hotel waar ik werkte en vroeg mijn collega’s haar geen wijn meer te verkopen.

Mijn collega's vroegen niets.

De buren vroegen niets.

Op school vroegen ze niets.

Een paar dagen later belde de afdeling dat ze was vertrokken.

Ik hoopte dat ze niet onder een auto zou komen.

Ik hoopte dat ze een fles wijn ging stelen bij Albert Heijn, dat ze opgepakt zou worden.

Misschien zou ze net agressief genoeg reageren zodat ze zou worden gezien als een gevaar voor haar omgeving. Daar hoopte ik op.

Een klein onschuldig gevaar voor de omgeving, liever dat dan onder een auto.

Er waren drie opties:

Ze doet zichzelf iets aan, ze doet een ander iets aan

of de derde mogelijkheid.

Mijn vader begon deze optie te overwegen. Ik begreep het.

Ze doet zichzelf niets aan en ze doet een ander niets aan totdat wij niet meer verder kunnen en wij langzaam maar zeker onze harten verhuizen.

We halen haar af en toe van het politiebureau op tot we ook dat niet meer doen. Het enige wat we nog over haar weten is op welk stadsbankje we haar kunnen vinden.

We moesten afwachten. We konden haar niet dwingen.

Vorige keer moesten we ook wachten. We zijn toen zonder haar op vakantie gegaan. Nu had het alle onschuld verloren. We wisten wat er komen ging.

De vorige keer pakte ik mijn onschuld zorgvuldig in, in haar weekendtas, samen met een Mars voor als ze honger zou krijgen. Toen kon ik nog denken dat iemand die haar polsen wil doorsnijden trek kan krijgen in een Mars. Ze namen haar mee. Ze was veilig. Onze harten hoefden niet te verhuizen. De Mars at ze niet op. Ik bleef nog een tijdlang chocolade brengen. Als ze chocolade zou eten, zou ze vast ook wel willen leven, dacht ik. Het duurde lang.

Ik hoopte dat ze dit keer iets stuk zou maken op straat en opgepakt zou worden. Ik hoopte dat ze een arts zou treffen die om de regels heen geneest.

Ik hoopte dat ze iets zou doen en opgesloten zou worden en ik haar chocolade kon brengen nu ze nog wilde eten.

Niemand kon haar dwingen, ze moest het zelf willen. Wij wachtten.

Ik deed mijn best, wij allemaal.